Eerste intercollegiale toetsing met onze vaste groep indicerend verpleegkundigen
Verslag Intercollegiale Toetsing Indicatieproces (conform V&VN Format)
Gezamenlijk gedeelte (verplicht)
Datum: 12 juni 2026
Tijdstip: 15.30 – 17.30 uur
Plaats: Online via Microsoft Teams
Naam verslaglegger gezamenlijk gedeelte: Ellen van Meerten
Deelnemers (inclusief procesbegeleider)
Ellen van Meerten - Verpleegkundig Specialist AGZ - VS & Indicerend verpleegkundige
Imran Catik - Zelfstandig Verpleegkundige - Indicerend verpleegkundige
Laila Dinar - Bestuurder en Verpleegkundige - Indicerend verpleegkundige
Eventuele toelichting op samenstelling toetsgroep:
Intercollegiale toetsing met drie indicerend verpleegkundigen werkzaam binnen de wijkverpleging. De bijeenkomst vond online plaats via Microsoft Teams. De casuïstiek richtte zich op indicatiestelling binnen de wijkverpleging, de toetsing door zorgverzekeraars en de professionele afwegingen rondom passende zorg en eigen regie.
Intercollegiale toetsing (casus 1)
Welke deelnemer uit de toetsgroep liet haar/zijn eigen handelen uit het verleden toetsen?
Imran Catik
Wat was de leervraag omtrent de ingebrachte casuïstiek?
Hoe kan een indicerend verpleegkundige onderbouwen dat ADL-overname medisch noodzakelijk is wanneer een cliënt beperkingen ervaart door meerdere aandoeningen (astma, artrose, duizeligheidsklachten, incontinentie en verminderde belastbaarheid), terwijl de zorgverzekeraar zich voornamelijk richt op het rookgedrag van de cliënt en dit gebruikt als argument om de indicatie ter discussie te stellen?
Aan welke documenten uit de professionele standaard is de casuïstiek getoetst?
- Normenkader Indiceren en Organiseren van Verpleging en Verzorging in de Eigen Omgeving (V&VN)
- Begrippenkader Indicatieproces (V&VN)
- Handreiking Verpleegkundig Proces (V&VN)
- Beroepscode Verpleegkundigen en Verzorgenden
- Uitgangspunten rondom samen beslissen, eigen regie en passende zorg
Welke nieuwe inzichten zijn opgedaan tijdens deze intercollegiale toetsing?
- Het rookgedrag van een cliënt verklaart niet automatisch de aanwezige functionele beperkingen.
- De medische noodzaak van zorg dient te worden onderbouwd vanuit de feitelijke beperkingen in functioneren en niet uitsluitend vanuit de onderliggende diagnose.
- Zorgverzekeraars verwachten aantoonbare inspanningen gericht op het verminderen van zorgafhankelijkheid, ook wanneer de kans op succes beperkt wordt geacht.
- Het expliciet beschrijven van reeds ingezette interventies, hulpmiddelen, fysiotherapie, ergotherapie en leefstijlinterventies kan bijdragen aan een sterkere onderbouwing.
- Er bestaat spanning tussen gezamenlijke besluitvorming met de cliënt en verwachtingen van zorgverzekeraars ten aanzien van gedragsverandering.
Reflectie en nabespreking
De groep besprak uitvoerig de ethische spanning tussen professionele autonomie, eigen regie van de cliënt en de invloed van zorgverzekeraars op indicatiestellingen. De deelnemers herkenden dat indicerend verpleegkundigen regelmatig keuzes maken die zijn ingegeven door het verkrijgen van een machtiging, terwijl zij vanuit professioneel perspectief soms een andere afweging zouden maken. Besproken werd dat de verpleegkundige primair verantwoordelijk blijft voor het objectief beschrijven van beperkingen, mogelijkheden en ingezette interventies. Tevens werd stilgestaan bij het belang van goede verslaglegging en het expliciet maken van gezamenlijke besluitvorming met de cliënt.
Intercollegiale toetsing (casus 2)
Welke deelnemer uit de toetsgroep liet haar/zijn eigen handelen uit het verleden toetsen?
Imran Catik & Ellen van Meerten
Wat was de leervraag omtrent de ingebracht casuïstiek?
Hoe dient een indicerend verpleegkundige om te gaan met aanvullende informatieverzoeken van zorgverzekeraars, zoals medische specialistische verslagen, episodelijsten en andere medische documentatie, wanneer deze informatie niet noodzakelijk lijkt voor de beoordeling van de zorgvraag of spanning oplevert met privacywetgeving en professionele verantwoordelijkheid?
Aan welke documenten uit de professionele standaard is de casuïstiek getoetst?
- Normenkader Indiceren en Organiseren van Verpleging en Verzorging in de Eigen Omgeving (V&VN)
- Begrippenkader Indicatieproces (V&VN)
- AVG en uitgangspunten van proportionaliteit en subsidiariteit
- Beroepscode Verpleegkundigen en Verzorgenden
- Wet op de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst (WGBO)
Welke nieuwe inzichten zijn opgedaan tijdens deze intercollegiale toetsing?
- Een indicatie dient gebaseerd te zijn op de zorgvraag, functionele beperkingen en verpleegkundige beoordeling.
- Niet iedere medische diagnose of specialistische rapportage is noodzakelijk voor het onderbouwen van een indicatie.
- Zorgverzekeraars hanteren onderling verschillende werkwijzen, waardoor de ervaren druk op indicerend verpleegkundigen kan verschillen.
- Het indienen van bezwaar of een klacht leidt regelmatig tot een heroverweging van besluiten.
- Het zorgvuldig bewaren van correspondentie en onderbouwingen is belangrijk voor transparantie en eventuele bezwaarprocedures.
Reflectie en nabespreking
De deelnemers bespraken de toenemende administratieve belasting die ontstaat door uitgebreide informatieverzoeken van zorgverzekeraars. Er werd gereflecteerd op de balans tussen medewerking aan een beoordeling enerzijds en het beschermen van privacy en professionele autonomie anderzijds. De groep concludeerde dat indicerend verpleegkundigen voortdurend een afweging maken tussen het volgen van professionele standaarden en het pragmatisch handelen om tijdig passende zorg voor cliënten te realiseren.
Individueel gedeelte (verplicht)
Persoonlijk leereffect
Mijn leereffect was (evt. in relatie tot CanMEDS-rollen)
Deze intercollegiale toetsing heeft inzicht gegeven in de gedeelde dilemma's die indicerend verpleegkundigen ervaren bij de beoordeling van indicaties door zorgverzekeraars. Met name de rollen van zorgverlener, professional, belangenbehartiger en communicator kwamen nadrukkelijk naar voren. De bijeenkomst bevestigde het belang van zorgvuldig onderbouwen vanuit functionele beperkingen, het expliciet beschrijven van gezamenlijke besluitvorming en het bewaken van professionele autonomie binnen complexe externe kaders.
Wat was je SMART leerdoel uit vorige bijeenkomst en heb je dit behaald?
Niet van toepassing, dit was de eerste bijeenkomst.
Wat wordt je nieuwe SMART leerdoel voor de komende periode?
Gedurende de komende drie maanden zal ik bij minimaal vijf indicatiestellingen expliciet beschrijven welke interventies reeds zijn ingezet om zelfredzaamheid te vergroten, welke gezamenlijke doelen met de cliënt zijn vastgesteld en welke afwegingen zijn gemaakt rondom eigen regie en passende zorg, zodat de onderbouwing van de indicatie transparanter en vollediger aansluit bij de professionele standaard.
Plaats en datum: Duiven, 12 juni 2026
Naam: Ellen van Meerten
Bijlage casus 1: ADL-overname bij cliënt met astma, artrose, incontinentie en rookgedrag.
Casusbeschrijving
Cliënt, vrouw van 65 jaar, is aangemeld voor wijkverpleging vanwege beperkingen bij de persoonlijke verzorging. Er is sprake van meerdere medische aandoeningen, waaronder astma, artrose van de handen, schouderproblematiek, duizeligheidsklachten, urine-incontinentie en chronische pijnklachten. Cliënt ervaart ernstige beperkingen bij het uitvoeren van ADL-activiteiten, met name bij douchen en aankleden. Daarnaast transpireert zij 's nachts veel, waardoor dagelijks douchen noodzakelijk wordt geacht voor hygiëne en welbevinden.
De cliënt rookt. De zorgverzekeraar stelt vragen over de medische noodzaak van tweemaal daagse ADL-overname en legt hierbij nadrukkelijk de relatie tussen de benauwdheidsklachten en het rookgedrag. De verzekeraar stelt dat onvoldoende duidelijk is waarom volledige overname van ADL noodzakelijk is en vraagt welke interventies zijn ingezet om de benauwdheidsklachten te verminderen.
Professionele afweging
De casusinbrenger heeft onderbouwd dat de zorgvraag niet uitsluitend voortkomt uit astma of benauwdheid, maar uit een combinatie van chronische aandoeningen die leiden tot functionele beperkingen. Daarbij zijn reeds meerdere interventies ingezet, waaronder fysiotherapie, ergotherapie en hulpmiddelen. Ondanks deze interventies blijft sprake van een structurele zorgbehoefte.
De discussie richtte zich op de vraag in hoeverre rookgedrag mag meewegen in de beoordeling van een indicatie. Vanuit verpleegkundig perspectief staat niet de diagnose centraal, maar de feitelijke beperking in functioneren. De aanwezige beperkingen blijven bestaan ongeacht het rookgedrag van cliënt.
Bespreking binnen de toetsgroep
De groep concludeerde dat:
- De indicatie moet worden gebaseerd op objectiveerbare beperkingen in functioneren.
- Rookgedrag geen reden vormt om noodzakelijke zorg te weigeren.
- Wel verwacht mag worden dat mogelijkheden tot verbetering van functioneren worden onderzocht en besproken.
- Vastlegging van gezamenlijke besluitvorming essentieel is.
- Het zinvol kan zijn om aan te tonen dat stoppen-met-roken begeleiding is besproken, ook wanneer cliënt hiervan afziet.
Leerpunten
- Duidelijker beschrijven welke beperkingen leiden tot de zorgvraag.
- Expliciet vastleggen welke interventies reeds zijn geprobeerd.
- Vastleggen dat leefstijlinterventies zijn besproken en welke keuze cliënt hierin maakt.
- Onderscheid blijven maken tussen diagnose, gedrag en functionele beperkingen.
Bijlage casus 2: Aanvullende informatieverzoeken zorgverzekeraar en proportionaliteit van medische gegevensverstrekking.
Casusbeschrijving
De casusinbrenger heeft meerdere ervaringen ingebracht waarbij zorgverzekeraars aanvullende medische informatie opvragen ter onderbouwing van indicaties. Het betreft onder andere episodelijsten van huisartsen, medicatieoverzichten, specialistische verslagen, psychologische rapportages en correspondentie van behandelend specialisten.
In verschillende situaties werden indicaties afgewezen of ter discussie gesteld omdat volgens de verzekeraar onvoldoende medische onderbouwing aanwezig zou zijn. Ook wanneer reeds uitgebreide verpleegkundige onderbouwingen waren aangeleverd, bleef de verzekeraar aanvullende documentatie verlangen.
Een voorbeeld betrof een cliënt die langdurig zorg ontving en waarbij een mogelijke leveraandoening nog in onderzoek was. Ondanks dat deze vermoedelijke diagnose niet bepalend was voor de zorgvraag, bleef de verzekeraar aanvullende medische informatie eisen. Uiteindelijk werd na een klachtenprocedure de indicatie alsnog toegekend.
Professionele afweging
De centrale vraag was hoe een indicerend verpleegkundige moet omgaan met verzoeken om aanvullende medische gegevens wanneer:
- deze gegevens niet noodzakelijk lijken voor het vaststellen van de zorgbehoefte;
- privacy van de cliënt in het geding komt;
- het verpleegkundig oordeel reeds voldoende onderbouwd is;
- de verzekeraar blijft aandringen op aanvullende informatie.
Bespreking binnen de toetsgroep
De groep besprak dat:
- Een indicatie gebaseerd moet zijn op de zorgvraag en de functionele beperkingen van de cliënt.
- Niet iedere medische diagnose noodzakelijk is voor het onderbouwen van een indicatie.
- Zorgverzekeraars regelmatig informatie opvragen die verder gaat dan strikt noodzakelijk voor de beoordeling van de zorgvraag.
- Verpleegkundigen een verantwoordelijkheid hebben om zorgvuldig om te gaan met medische gegevens.
- Cliënten zelf kunnen besluiten aanvullende medische informatie te verstrekken wanneer zij dit wenselijk achten.
Daarnaast werd besproken dat bezwaar- en klachtenprocedures regelmatig leiden tot heroverweging van besluiten, maar dat deze procedures veel tijd, energie en administratieve belasting met zich meebrengen.
Leerpunten
- Blijven onderbouwen vanuit functionele beperkingen en zorgbehoefte.
- Kritisch beoordelen welke medische informatie noodzakelijk is voor de indicatie.
- Correspondentie en onderbouwingen zorgvuldig archiveren.
- Cliënten goed informeren over hun rechten en mogelijkheden bij afwijzingen.
- Bewust blijven van proportionaliteit en privacy bij het delen van medische gegevens.
Conclusie
De toetsgroep concludeerde dat indicerend verpleegkundigen zich regelmatig bevinden in een spanningsveld tussen professionele autonomie, privacywetgeving, belangen van cliënten en de beoordelingskaders van zorgverzekeraars. Het zorgvuldig documenteren van het verpleegkundig proces en het expliciet onderbouwen van de relatie tussen beperkingen en zorgvraag blijft hierbij essentieel.




